Meisje met gitaar

 

Frans Stüger

 

 

 

Floris las de kookaanwijzingen op het pak macaroni. Dit keer mocht het niet fout gaan; het zou een vreemde indruk maken tegenover Betty, die voor het eerst bij hem kwam eten. Ze zou haar gitaar meenemen en ze zouden samen wat zingen. En verder… Hij schudde zijn hoofd en concentreerde zich op het recept.

            Per persoon werd 75 gram aanbevolen, maar daar trok hij zich niets van aan. Dan bleef je koken, was zijn overtuiging. Door alles in één keer te koken, kon hij er een paar dagen van eten. En dus gooide hij de macaroni, zoals gewoonlijk, in zijn geheel in de pan waarvan het water al kookte. Ondertussen sneed hij de plak boterhamworst in dobbelsteentjes en draaide een blikje to-matenpuree open. Vervolgens ontkurkte hij een fles Italiaanse wijn om die alvast te laten ademen.

De regen martelde met felle vlagen de keukenruit. Hij veegde een beslagen raam schoon met een pannenlap, en zag hoe een striemende wind de brandnetels in zijn tuin tot buigen dwong.

            Hij keek op zijn horloge, Betty kon elk moment komen, of zou zij afbellen omdat het zo regende? Alsof haar daarmee kon overhalen toch te komen, zette hij de kachel wat hoger, dekte de tafel, zette naast ieder bord een wijnglas, en plaatste de fles Italiaanse wijn in een koeler, die hij samen met de wereldbol en het bureau van zijn ouders had gekregen toen hij op kamers ging wonen. Hij deed een stap terug en overzag instemmend het culinaire tafereel.

Hij draaide zich om, tuitte zijn lippen, keek bedachtzaam om zich heen; speurend naar onrechtmatigheden. Maar hij moest bekennen dat alles er piekfijn uitzag: het tweepersoonsbed in de alkoof, die in een open verbinding stond met de woonkamer, was opgemaakt als een hotelbed nadat hij eerst met de lakens en de slopen naar de wasserette was geweest. Op de schoorsteen-mantel stonden twee kaarsen in het gelid, om straks een intiem licht te ver-spreiden. Op dat moment ging de bel, waarvan hij nog steeds schrok ook al woonde hij er nu een jaar.

            Hij rende naar de voorkamer en opende de deur. Voor hem stond Betty, haar schouderlange blonde haar hing in slierten langs haar hartvormig gezicht met de felblauwe ogen, die hem in het café al waren opgevallen. Ze droeg een natglanzend hemelsblauw zeiljack en daaronder een nauwsluitende spijkerbroek. Betty glimlachte. Ze hield de gitaar, waarvan de regendruppels afdropen, als een jachtgeweer onder haar arm, de hals naar voren gericht, terwijl regen-druppels op de snaren uiteenspatten, alsof de regen muziek wilde laten horen.

            ‘Kom snel binnen,’ zei Floris, en deed een stap naar achteren.

            ‘Tjonge, wat een weer, hier lusten de honden geen brood van.’ Ze boog haar hoofd naar Floris toe, maar de beoogde kus trof geen doel.

            ‘Kom verder,’ nodigde Floris haar uit met een breed armgebaar. Hij ging haar voor naar de achterkamer en wees haar de bank aan.

            ‘Goh, lekker warm hier,’ merkte Betty op, terwijl ze met een zwiepend geluid haar regenjack openritste. Hij herkende haar forse boezem en wendde zijn blik af.

            Toen hij de deksel van de pan hoorde klepperen, rende hij naar de keuken en draaide snel het gas uit. Met de pannenlap tilde hij behoedzaam de deksel op en stelde vast waar hij bang voor was: toch weer te lang gekookt. De pasta lag als een papperige brei onder een laagje water. Met een zucht goot hij de pasta af. Daarna vermengde hij de blokjes boterhamworst en tomatenpuree met de glazige brei; driftig omscheppend. Zo leek het weer wat.

            ‘Goh, ik wist niet dat je kon koken,’ zei Betty in de deuropening, ‘de meeste jongens bakken er niets van.’

            ‘Anders had ik je niet uitgenodigd,’ merkte Floris op, ‘het is een eenvoudig maar smaakvol gerecht: macaroni, niet té al dente, blokjes gekruide worst, verse tomaten, en vergezeld van een Italiaanse wijn.’

            ‘Klinkt goed. Stefan, mijn vriend, kookt nooit, vindt hij een vrouwen-dingetje,’ zei Betty, terwijl ze terugliep naar de kamer.

            Floris volgde haar.

            Na een korte stilte, merkte Betty op: ‘Die alkoof. Die slaapkamer, heb je die zelf opengebroken?’

            Floris knikte. ‘Met een vrindje, ikzelf ben niet zo handig. Het bed heeft hij ook gemaakt. “Je weet nooit of je een logé krijgt,” zei hij.’       

            Betty sloeg haar ogen neer en zei na enige tijd: ‘En dat is dus de tuin?’

            Floris knikte. ‘Ik doe er niet zoveel aan; er staan alleen brandnetels in. De natuur heeft mij niet nodig, andersom wel.’

            ‘Nou ja,’ merkte Betty op, ‘brandnetels horen ook bij de natuur. In Twente waar ik vandaan kom,’ ze wierp Floris een onderzoekende blik toe, ‘daar wordt bijna alles onkruid genoemd. Behalve planten die geld opbrengen.’

             ‘A posteriori, onzin,’ meende Floris, ‘tenzij je uitsluitend de opbrengst van een plant als van waarde beschouwt.’

            Betty fronste even haar wenkbrauwen en schudde toen haar hoofd.

            Om een dreigende stilte te voorkomen, sprong Floris ineens op en riep: ’Ik vergeet je helemaal iets aan te bieden. Wat wil je?’

            Betty keek naar de grond voor haar voeten en zei aarzelend: ‘Doe maar een watertje.’

            ‘Ik heb wijn.’

            ‘Ook goed,’ fluisterde Betty.

            Nadat hij de twee glazen had ingeschonken, nam Floris plaats naast haar op de bank en proostte. Hij nipte van het glas en zette het toen behoedzaam neer op het bijzettafeltje voor hem.

            ‘Hoe is het met Stefan?’ vroeg hij. ‘Nog steeds geen werk?’

            Betty schudde haar hoofd en fluisterde: ‘Maar hij zoekt ook niet, want hij wil musicus worden.’

            ‘Heeft hij aanleg?’ vroeg Floris en legde zijn arm achter Betty langs.

            ‘Nee,’ antwoordde Betty, ‘hij kan geen noten lezen, hij heeft geen gevoel voor ritme en hij zingt vals.’

            ‘Geen uitgesproken talent,’ stelde Floris vast.

            Betty zweeg een moment, terwijl ze met gebogen hoofd aan een nagel-riem pulkte. ‘En dat is nog tot daaraan toe,’ zei ze ineens. ‘Maar hij ligt tot in de middag in bed, zegt dat hij de rest van de dag nadenkt of liedjes schrijft, en gaat ‘s avonds laat nog met vrienden het café in. Ondertussen laat hij zijn vuile was overal in huis slingeren. Het ergst zijn de onderbroeken met bruine vegen en witte plakkaten… En dan zijn sokken… Zijn sokken stinken het ergst.’ Ze zuchtte. ‘Hij is toen bij mij ingetrokken, omdat ik dacht dat hij zielig was en hij leek mij wel aardig; zijn vorige vriendin had hem op straat gezet. Zoiets doe je niet, vind ik.’

            ‘Maar wat dan wel?’ vroeg Floris.

            Betty boog haar hoofd, zodat haar blonde haar langs haar gezicht viel en haalde haar schouders op.

            ‘Laten we eerst wat eten, dan kunnen we ondertussen daarover na-denken. Heb je trek?’

            Betty knikte en volgde Floris naar de tafel. Hij schonk twee glazen wijn in en hief zijn glas om te proosten.  

            Tijdens het eten vroeg Floris wat voor werk Betty deed; hij herinnerde zich toen zij de afspraak maakten in het café, dat hij er toen niet naar had geïnformeerd. Hij was naast haar gaan zitten, omdat er verder geen plaats was. Al gauw volgde een geanimeerd gesprek dat leidde tot deze eetafspraak.

            ‘Heb jij hobby’s?’ vroeg Floris ineens.

            Betty keek hem verrast aan en antwoordde: ‘Wat leuk dat je ernaar vraagt. Je weet, ik speel gitaar,’ ze knikte naar het muziekinstrument in de hoek van de kamer.

            ‘Klassiek?’

            ‘Neu, joh,’ Betty schoot in de lach. ‘Ik speel vooral woensdagmiddag als groep 8 in het clubhuis komt om muziek te maken. Vooral volksliedjes.’

            Op dat moment klonk door de muren heen een mannenstem die zong.

            Betty hief haar hoofd en vroeg: ‘Zijn dat de buren?’

            Floris knikte. ‘Zij en ik zijn nog zo’n beetje de enige bewoners in deze wijk; twee vrienden. De buurt ziet eruit als Dresden vlak na de oorlog. De hele wijk gaat tegen de vlakte, voor nieuwbouw.’ Floris hief zijn hoofd en zei, terwijl hij aandachtig luisterde, met zachte stem: ‘Tränenregen van Schubert.’

            ‘Hij heeft een mooie stem,’ merkte Betty op. ‘Misschien kunnen wij samen straks voor hun wat zingen?’ Ze lachte. ‘Of hou je niet van zingen, doe je liever iets anders? Wat studeerde je ook alweer? Je hebt het toen gezegd, maar ik ben het vergeten, sorry.’

            ‘Geef niet,’ antwoordde hij, terwijl hij haar glas bijschonk. ‘Filosofie.’

            ‘Goh, interessant.’

            ‘Neem nou, het heelal,’ begon Floris, terwijl hij zijn lepel neerlegde.  ‘We zijn geneigd het heelal als een bol te zien. Immers: de aarde is rond, de zon is rond, de maan is rond, alle planeten en ga zo maar door.’

            Betty knikte en ondersteunde haar kin met haar hand, terwijl zij hem aankeek.

            ‘Dus is de veronderstelling dat het heelal ook wel rond zal zijn niet zo on-waarschijnlijk. Maar…!’ Floris hief zijn vinger. ‘Maar,’ herhaalde hij, ‘als het heelal ook rond is, dan is het ook begrensd. Misschien zit het heelal in een vierkante doos van een kosmische Hema. En dan luidt de terechte vraag: waar komt die doos vandaan. Begrijp je?’ Hij glimlachte.

            Betty keek hem verbijsterd aan, en schudde langzaam haar hoofd. Toen hij zijn vraag herhaalde, vroeg zij schor: ‘Maar in het heelal is toch geen Hema,’ en na een korte pauze, ‘…toch?’

            ‘Als er één op aarde is, dus in het heelal, wat op zich al te dol voor woorden is, waarom zou er dan iets verderop geen filiaal zijn; aan de andere kant van de zon bijvoorbeeld?’

            Na enige tijd haar voorhoofd te hebben gefronst, zei ze zacht: ‘Ik vind het wel ingewikkeld, hoor. Toch?’

            ‘Maakt niet uit,’ vervolgde Floris, en met opgewekte stem: ‘welke vraag-stukken kwellen jouw geest?’

            Ze schoot in de lach. ‘Heel iets stoms,’ zei ze. Ze begon te giechelen en boog haar hoofd, zodat het haar voor haar gezicht viel.

            ‘Er zijn geen stomme dingen,’ sprak Floris resoluut. ‘Toe vrouw, spreek!’

            Ze hief haar hoofd en haalde diep adem. ‘Ik heb een vreemde hobby, behalve de muziek. Je moet me niet uitlachen.’

            ‘Nee, natuurlijk. Dat zou getuigen van een provinciale bekrompenheid. Vertel op.’

            ‘Ik mag graag biljarten, vooral driebanden.’

            ‘Een ongebruikelijke combinatie - de vrouw en het biljartspel -, maar daar-mee niet afkeurenswaardig.’

            ‘Maar er is mij iets opgevallen met dat biljarten. Misschien kan jij het ver-klaren.’

            ‘Shoot.’

            ‘Het vreemde is, als ik het café binnenkom, dan kijkt bijna niemand op. Maar zodra ik ga biljarten en mij voorover buig voor een carambole, onder-breken de mannen hun gesprek en kijken of het lukt. Soms lig ik met één been half op het biljart, omdat ik er anders niet goed bij kan. De blikken die ik dan zie: hitsig als een stier die een tochtige koe ruikt, snap je?’

            Floris knikte bedachtzaam en zei: ‘De eenvoudigen van geest, kennen een-voudige verlangens.’

            ‘Hoe bedoel je?’

            Floris schudde zijn hoofd en riep: ’Er schiet mij iets te binnen. De gesty-leerde vorm van het hart! Je kunt er de vorm van een bh in zien, maar ook de heup- en bilpartij van de vrouw; vooral als zij voorover gebogen staat, begrijp je? Het schijnt veel mannen op te winden. Ik vind juist dat de heupen van een vrouw, qua vorm en functie, lijken op een fruitschaal, vind je niet? Een soort vruchtschaal van de natuur? Dat gezegd hebbende, is de appel die Eva Adam aanbood, als je de bijbel mag geloven, veel meer dan een ordinaire Jonagold.’

            Betty sloeg haar hand voor haar mond en keek hem met grote ogen aan. ‘Dus die glurende oudjes in het café… Gatver, wat ranzig.’ En na een korte pauze: ’Had het maar niet gezegd. Mij zien ze niet meer aan de biljarttafel.’

            ‘Misschien had ik het niet moeten vertellen,’ opperde Floris.

            ‘Nee joh, juist hartstikke goed van je. Goh, wat ben ik toch een onnozele gans.’

            Floris kwam overeind om de tafel af te ruimen en vroeg: ‘Wil je nog iets drinken, Betty?’

            Ze schrok op uit haar gedachten, keek hem verschrikt aan, wierp een blik op haar horloge zei: ‘Is het al half twaalf? O jee, ik moet gaan. Ik heb morgen-vroeg een afspraak bij de tandarts.’

            Ze rende naar de voorkamer, trok haar jack aan, nam de gitaar onder haar arm en riep in de deuropening: ‘Nou eh, dag dan.’

            Het regende pijpenstelen, maar voordat hij kon voorstellen te wachten tot de bui over zou zijn, rende zij de hoek om.

            Verbaasd liep hij langzaam terug naar de kamer en liet zich op de bank vallen. Een stem zei: ‘Probeer het nou eens wat langzamer, meer gedragen. Tränenregen, is geen vrolijk lied.’

 

 

 

---     

    

    

 

Rating: 0 sterren
0 stemmen